Toolkaart, wat er gecontroleerd is
Financieel Kompas
Per bedrag ziet u wanneer het voor het laatst is gecontroleerd en wanneer de volgende controle is.
Naar de toolPeil is ons register van de officiële bedragen, tarieven en grenzen. Elk bedrag wordt bij de officiële bron opgezocht en door een tweede, onafhankelijke controle bevestigd voordat het hier staat. Zo werken wij
Deze kaart hoort bij de stand van Peil van 26 oktober 2026.
De bedragen
Elk bedrag hebben wij naast de officiële bron gelegd. Klik op de bron om die zelf te lezen.
Toon de overige 74 bedragen
Hoe de tool rekent
Hoogte van de zorgtoeslag
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 25 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De zorgtoeslag is de standaardpremie min de normpremie, en nooit negatief. Met een toeslagpartner geldt tweemaal de standaardpremie en telt het gezamenlijke toetsingsinkomen; is de partner zelf niet verzekerd, dan is de aanspraak de helft. De normpremie is het normpercentage (met of zonder partner) maal het drempelinkomen, plus het afbouwpercentage maal het toetsingsinkomen boven het drempelinkomen. Wie in het buitenland woont en onder art. 69 Zvw valt, krijgt de standaardpremie vermenigvuldigd met de woonlandfactor van het woonland (art. 4a Wet op de zorgtoeslag), en daarna gaat de normpremie eraf. Was de rendementsgrondslag in box 3 (zonder heffingsvrij vermogen) aan het begin van het berekeningsjaar hoger dan de vermogensgrens, dan is er dat jaar geen zorgtoeslag.
Gebruikt:Standaardpremie zorgtoeslag 2026Drempelinkomen zorgtoeslagNormpercentage zorgtoeslag zonder partnerNormpercentage zorgtoeslag met partnerAfbouwpercentage zorgtoeslagVermogensgrens zorgtoeslag zonder partnerVermogensgrens zorgtoeslag met partnerWoonlandfactor Frankrijk
Wet op de zorgtoeslag, art. 2 lid 1 tot en met 4 (standaardpremie, tweemaal bij partner, normpremie, percentages 1,912, 4,289 en 13,730 procent, halvering bij onverzekerde partner), art. 3 lid 1 (vermogensgrens 146.011 en 184.633 euro, begin berekeningsjaar), art. 4a lid 1 (woonlandfactor), versie geldend vanaf 01-01-2026; Belastingdienst/Toeslagen, Berekening zorgtoeslag 2026 (woonlandfactor Frankrijk 0,8304)
Welk land is bevoegd voor de zorgverzekering van een gepensioneerde in Frankrijk (CAK of Frans stelsel)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Een gepensioneerde die in Frankrijk woont en alleen een pensioen krachtens de Nederlandse wetgeving ontvangt (zoals de AOW), krijgt zorg in Frankrijk voor rekening van Nederland (art. 24 en 25 Verordening 883/2004): hij is via het CAK verzekerd (S1) en Nederland heft daarvoor de verdragsbijdrage (art. 30 lid 1). Een particulier of aanvullend pensioen telt hiervoor niet; het moet een pensioen krachtens de wetgeving zijn. Ontvangt hij daarnaast een pensioen krachtens de Franse wetgeving en heeft hij als inwoner recht op Franse verstrekkingen, dan is Frankrijk bevoegd (art. 23): de zorg komt voor rekening van Frankrijk alsof hij alleen een Frans pensioen had, er is geen S1 en geen CAK-bijdrage, en de CSG op pensioen is verschuldigd. Wie in Frankrijk werkt, in loondienst of als zelfstandige, valt onder de Franse wetgeving (art. 11 lid 3 onder a); de artikelen 23 tot en met 30 gelden dan niet (art. 31).
Verordening (EG) nr. 883/2004, geconsolideerde Nederlandse tekst 31-07-2019 (02004R0883-20190731, via Cellar van het Publicatiebureau, gelezen 26-10-2026): art. 23 ('Degene die een pensioen of pensioenen ontvangt krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, waaronder de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene woont, en die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving in de lidstaat van de woonplaats, ontvangt [...] deze verstrekkingen van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan'), art. 24 lid 1 en lid 2 onder a, art. 25, art. 30 lid 1 en 2, art. 31, art. 11 lid 2 en lid 3 onder a. Art. 23 gelijkluidend in PB L 166 van 30-04-2004. Ter aanvulling: CLEISS, situation n°3; art. L136-1 1° en L136-6 I ter CSS.
Verdragsbijdrage aan het CAK
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De bijdrage is A de nominale Zvw-bijdrage, per verzekerde van 18 jaar en ouder (ook meeverzekerde gezinsleden), plus B de inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage over het inkomen tot het maximumbijdrage-inkomen (niet over een WIA-, WAO- of Anw-uitkering), plus C de Wlz-bijdrage over het inkomen tot het Wlz-maximum min het Wlz-deel van de heffingskorting (het deel van de standaardheffingskorting dat overeenkomt met het Wlz-premiepercentage, art. 8.6 Wet IB 2001), waarbij dat laatste onderdeel niet onder nul komt. Daarna wordt het hele subtotaal vermenigvuldigd met de woonlandfactor van het woonland (Frankrijk 2026: 0,8304), volgens art. 6.3.1 Regeling zorgverzekering, art. 9 lid 1 Wfsv en art. 8.6 Wet IB 2001. De inkomensafhankelijke delen worden per bijdrageplichtige berekend over diens eigen toetsingsinkomen (art. 6.3.1 lid 6 Regeling zorgverzekering met art. 8 lid 1 en 2 Awir), dus over het wereldinkomen van die persoon inclusief inkomen dat niet in Nederland belast is; het inkomen van een partner telt niet mee. Uitzondering, niet doorgerekend: wie ook in Nederland belastingplichtig is en daar een deel van de heffingskorting niet kon verrekenen (art. 9 lid 2 Wfsv); daar hoort een professional bij.
Gebruikt:Woonlandfactor FrankrijkNominale Zvw-bijdrage verdragsgerechtigden vóór woonlandfactorZvw inkomensafhankelijke bijdrage, lage percentageMaximumbijdrage-inkomen ZvwWlz-premiepercentageMaximumbijdrage-inkomen WlzMaximumbijdrage-inkomen Wlz, geboortejaar 1945 of eerder
Regeling zorgverzekering art. 6.3.1 (lid 1, 2, 6 en 9) en art. 6.3.3 lid 2, tekst sinds 01-01-2025 (Stcrt. 2024, 40774), geconsolideerde versie 06-10-2026, bijlage 4 (Frankrijk 0,8304, Stcrt. 2025-38064, in werking 01-01-2026); Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen art. 8 lid 1 en 2 (toetsingsinkomen, ook niet in Nederland belastbaar inkomen); Wet financiering sociale verzekeringen art. 9 (versie 01-07-2026); Wet IB 2001 art. 8.1, 8.6, 8.9 en 8.9a; Zorgverzekeringswet art. 69. Uitvoering en bedragen 2026: Het CAK, Hoe wordt de verdragsbijdrage berekend? (gewijzigd 03-03-2025, 'wereldinkomen'), stappen A tot en met G; Het CAK, Woonlandfactor, Zvw- en Wlz-bijdragen (gewijzigd 19-03-2026). Lid 6 herlezen 26-10-2026 in de BWB-XML.
Aantal parts (quotient familial)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
Een alleenstaande heeft 1 part, een gehuwd of gepacst paar met gezamenlijke aanslag 2 parts. Elk van de eerste twee kinderen ten laste geeft een halve part, elk volgend kind een hele part. Een alleenstaande ouder die alleen woont en de kinderen werkelijk alleen draagt, krijgt een extra halve part (parent isolé, art. 194 II), zodat het eerste kind een hele part geeft.
Art. 194 CGI (LEGIARTI000033817781, in vigueur sinds 01-01-2018, DILA LEGI); BOFiP BOI-IR-LIQ-10-20-20-10 (versie 26-03-2014) §10 (halve part voor de eerste twee kinderen, hele part vanaf het derde) en §380 (parent isolé, alleen wonen); gelezen 26-10-2026
Impôt sur le revenu na plafonnering en décote
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
Het belastbaar inkomen wordt gedeeld door het aantal parts, door het barema gehaald (inkomsten 2025: 0 procent tot 11.600 euro, 11 procent tot 29.579, 30 procent tot 84.577, 41 procent tot 181.917 en 45 procent daarboven) en weer vermenigvuldigd met het aantal parts. Het voordeel van de extra halve parts boven 1 part (alleenstaand) of 2 parts (gezamenlijke aanslag) wordt geplafonneerd: de belasting is minstens de belasting op 1 of 2 parts min 1.807 euro per extra halve part; voor een alleenstaande ouder is het voordeel van de hele part voor het eerste kind begrensd op 4.262 euro. Daarna volgt de décote: is de belasting lager dan 1.982 euro (alleenstaand) of 3.277 euro (gezamenlijke aanslag), dan gaat er 897 of 1.483 euro min 45,25 procent van de belasting af, niet verder dan nul. De décote gaat alleen over belasting uit het progressieve barema, niet over belasting tegen een vast tarief (zoals de PFU). Pas daarna komen belastingverminderingen en belastingkredieten.
Gebruikt:Schijven en tarieven impôt sur le revenu, per part (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)Plafond gezinsquotient per halve part (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)Plafond gezinsquotient voor een alleenstaande ouder (parent isolé), eerste twee halve parts (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)Décote: drempels, forfaits en percentage (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)
Art. 197 I 1, 2 en 4 a CGI (LEGIARTI000053542636, in vigueur sinds 21-02-2026, LF 2026, DILA LEGI); BOFiP BOI-IR-LIQ-20-10 (versie 07-04-2026) §1 en §40 (barema inkomsten 2025); BOI-IR-LIQ-20-20-20 (versie 07-04-2026) §20, §40 en §70 (dubbele berekening, 1.807 en 4.262 euro); BOI-IR-LIQ-20-20-30 (versie 07-04-2026) §1, §10, §20 en §40 (décote); gelezen 26-10-2026
Welk land belast welk pensioen (verdrag Nederland-Frankrijk)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Voor een inwoner van Frankrijk verdeelt het verdrag van 16 maart 1973 het heffingsrecht zo. Een pensioen dat de Nederlandse Staat, een staatkundig onderdeel of een publiekrechtelijke instelling betaalt voor diensten aan die overheid (overheidspensioen, bijvoorbeeld ABP), is in Nederland belastbaar (art. 19 lid 1); het verdrag kent daarbij geen uitzondering op grond van nationaliteit. Pensioen voor diensten bij een commerciële of industriële activiteit van de overheid valt onder de gewone regels (art. 19 lid 2). Een particulier pensioen voor een vroegere dienstbetrekking is alleen in de woonstaat Frankrijk belastbaar (art. 18). Inkomsten die het verdrag niet apart noemt, zoals de AOW en een lijfrente, zijn alleen in de woonstaat belastbaar (art. 22). Frankrijk stelt het in Nederland belastbare overheidspensioen vrij, maar mag het meetellen voor het tarief (art. 24 B onder a en c, zie r.xb.verdrag.taux_effectif).
Overeenkomst Nederland-Frankrijk van 16 maart 1973, Trb. 1973, 83 (Nederlandse en Franse tekst, scan; gelezen met tekstherkenning 26-10-2026): art. 18 ('slechts in die Staat belastbaar'), art. 19 lid 1 ('mogen in die Staat worden belast') en lid 2, art. 22 ('slechts in die Staat belastbaar'), art. 24 B onder a (vrijstelling) en c (tarief over het totale inkomen). De geconsolideerde Franse tekst met de MLI op impots.gouv.fr (pays-bas_modifiee_cml_20190805.pdf) gaf op 26-10-2026 alleen een onderhoudspagina.
Tarief over het wereldinkomen bij vrijgesteld Nederlands inkomen (taux effectif)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Frankrijk berekent eerst een theoretische belasting volgens het barema op het totaal van de inkomsten die belastbaar zouden zijn zonder de verdragsvrijstelling, na aftrek van de aftrekbare lasten en abattements en met plafonnering van het quotient familial. Ook de aftrek voor 65-plussers hoort bij dat totaal: hij wordt bepaald alsof er geen vrijstelling was, dus met het vrijgestelde inkomen meegeteld. Die theoretische belasting wordt vermenigvuldigd met het belastbare Franse inkomen gedeeld door het totale inkomen. Pas daarna komen de décote, de belastingverminderingen en de belastingkredieten. Het vrijgestelde inkomen telt mee voor zijn netto bedrag, dus na de 10-procentaftrek op pensioenen.
Gebruikt:Schijven en tarieven impôt sur le revenu, per part (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)Abattement 10 % op pensioen: minimum en maximum (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)
BOFiP BOI-IR-LIQ-20-30-30 (versie 12-09-2012) §10, §20, §40 en §100 (§40: revenu net imposable total "égal à la somme des revenus nets qui auraient été imposables en France en l'absence de dispositions spéciales les exonérant, diminués des déficits antérieurs, des charges du revenu global et des abattements (personnes âgées, enfants mariés)"); BOFiP BOI-INT-DG-20-20-100 (versie 19-02-2020) §60 en §70 (drie stappen: cotisation de base, maal de verhouding, daarna décote en kredieten); verdrag 16-03-1973 art. 24 B onder a en c; art. 197 C CGI; gelezen 26-10-2026
Revenu fiscal de référence (referentie-inkomen)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Het revenu fiscal de référence is het netto inkomen waarover de inkomstenbelasting is berekend, verhoogd met onder meer de inkomsten die tegen een vast tarief zijn belast (PFU) en de inkomsten die op grond van een belastingverdrag zijn vrijgesteld. Een Nederlands overheidspensioen dat Frankrijk alleen voor het tarief meetelt, hoort er dus bij. Het RFR van twee jaar terug bepaalt het CSG-tarief op pensioen.
Art. 1417 IV 1° CGI, onder c (LEGIARTI000054373249, in vigueur sinds 01-07-2026, DILA LEGI: verhoogd met de revenus 'exonérés par application d'une convention internationale relative aux doubles impositions'); BOFiP BOI-RSA-GEO-10-40 §10 (vrijgestelde inkomsten tellen mee voor taux effectif en RFR); art. L136-8 III bis CSS (RFR als bedoeld in art. 1417 IV); gelezen 26-10-2026
Bepalen welk CSG-regime geldt
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Het revenu fiscal de référence van twee jaar terug (voor 2026 het RFR 2024) wordt vergeleken met drie grenzen die horen bij het aantal parts: die van het nultarief, van het verlaagde tarief en van het taux médian. Elke grens is een bedrag voor de eerste part, verhoogd met een vaste opslag per extra halve part vanaf de eerste extra halve part (en de helft daarvan per extra kwart part), met voor elke grens een eigen opslag. De tweejaarsregel volgens art. L136-8 III, III bis en III ter CSS (versie 27-06-2026): 3,8 procent als het RFR van N-2 boven de vrijstellingsgrens ligt en het RFR van N-2 of van N-3 binnen de grens van het verlaagde tarief. Het 6,6-procenttarief kijkt alleen naar N-2. In het randgeval (N-2 in het gebied van het taux normal, N-3 in het gebied van het taux médian) geldt daarom 8,3 procent. De grenzen in de wet zijn basisbedragen die jaarlijks worden geïndexeerd (III ter); de bedragen voor 2026 komen uit de ministeriële instructie van 11-12-2025. Het RFR omvat ook verdragsvrijgesteld inkomen (r.fr.ir.revenu_fiscal_reference). Voorwaarde volgens art. L136-1 CSS: fiscaal in Frankrijk wonen én ten laste zijn van een verplichte Franse ziektekostenverzekering. Wie via het CAK (S1) ten laste van Nederland verzekerd is, betaalt geen CSG op pensioen.
Gebruikt:CSG, CRDS en CASA per regime op pensioenRFR-grenzen CSG op pensioen naar aantal parts (RFR 2024, inhouding 2026)Opslag per halve part boven drie parts
Code de la sécurité sociale art. L136-8 III, III bis, III ter en II 2° (LEGIARTI000054336623, in vigueur sinds 27-06-2026, loi n° 2026-534 art. 65 voegt alleen IV bis toe), art. L136-1 1° (LEGIARTI000033712581, in vigueur sinds 01-01-2018) en art. L136-1-2 II 1° (LEGIARTI000051289679, in vigueur sinds 28-02-2025); stand DILA LEGI, wijzigingsbestanden tot en met 24-10-2026. Bedragen 2026: instruction ministérielle van 11-12-2025 (seuils 2026), bijlagen 1 en 2; service-public.gouv.fr, fiche F2971, vérifié le 01-06-2026 (RFR 2024 voor 2026, grenzen per part, opslag per halve part 3.484, 4.555 en 7.066 euro en per kwart part 1.742, 2.278 en 3.533 euro, tarieven 0, 3,8, 6,6 en 8,3 procent). Herlezen 26-10-2026: L136-8 III bis verwijst voor het RFR naar art. 1417 IV CGI.
Datum waarop de AOW ingaat (pensioengerechtigde leeftijd)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De AOW gaat in op de dag waarop iemand de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Die leeftijd hangt af van het kalenderjaar waarin hij wordt bereikt, niet van het geboortejaar: 66 jaar en 4 maanden in 2019 tot en met 2021, 66 jaar en 7 maanden in 2022, 66 jaar en 10 maanden in 2023, 67 jaar in 2024 tot en met 2027 en 67 jaar en 3 maanden in 2028 tot en met 2031. Wie in een jaar de voor dat jaar geldende leeftijd bereikt, houdt die leeftijd; latere verhogingen gelden niet meer. Daaruit volgt: geboren in 1960 (en eerder vanaf maart 1957) AOW op 67 jaar, geboren van januari 1961 tot en met september 1964 op 67 jaar en 3 maanden. Voor latere jaren stelt de minister de leeftijd telkens vijf jaar vooruit vast met de formule van art. 7a lid 2 AOW.
Gebruikt:AOW-leeftijd per kalenderjaar van bereiken
Algemene Ouderdomswet art. 7 en 7a (versie 01-07-2026), met de mededelingen van de minister over de pensioengerechtigde leeftijd: Stcrt. 2020, 65110 (2026: 67 jaar), Stcrt. 2021, 46409 (2027: 67 jaar), Stcrt. 2022, 30748 (2028: 67 jaar en drie maanden), Stcrt. 2023, 31782 (2029), Stcrt. 2024, 37287 (2030) en Stcrt. 2025, 38647 (2031: 67 jaar en drie maanden)
Bruto AOW per jaar
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Het bruto ouderdomspensioen is het maandbedrag voor een ongehuwde (alleenstaande) of voor een gehuwde of samenwonende pensioengerechtigde, maal het aantal maanden met recht op AOW. Het bedrag wordt gekort met 2 procent voor elk kalenderjaar tussen de aanvangsleeftijd en de AOW-leeftijd waarin iemand niet verzekerd was; met 50 verzekerde jaren is er geen korting, met 30 jaar is de AOW 60 procent. Wie over een maand recht heeft op AOW, heeft over die maand ook recht op vakantie-uitkering; die wordt eenmaal per jaar in mei uitbetaald en hoort bij het belastbare inkomen. In 2026: 1.637,57 euro (ongehuwd) en 1.122,12 euro (per partner) per maand van januari tot en met juni, 1.662,16 en 1.139,39 euro vanaf juli, samen 19.798,38 en 13.569,06 euro over het kalenderjaar zonder vakantie-uitkering.
Gebruikt:AOW bruto per jaar, alleenstaandAOW bruto per jaar, per partnerAOW-vakantiegeld per maand (vakantie-uitkering)
Algemene Ouderdomswet art. 9 lid 1 en 5, art. 13 lid 1 (korting 2 procent per niet-verzekerd jaar), art. 28 en 31 (vakantie-uitkering, uitbetaling in mei), versie 01-07-2026; bedragen: Stcrt. 2025, 43553 onderdeel C (per 01-01-2026) en Stcrt. 2026, 20221 onderdeel C (per 01-07-2026)
MKB-winstvrijstelling en beperking van het aftrektarief
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De MKB-winstvrijstelling is 12,7 procent van de winst uit onderneming nadat de ondernemersaftrek eraf is gegaan. De vrijstelling verlaagt het belastbare inkomen, maar levert in 2026 niet meer op dan het tarief van de tweede schijf: ligt het belastbare inkomen uit werk en woning plus de vrijstelling (en andere grondslagverminderende posten) boven 78.426 euro, dan komt er 11,94 procent bij over dat meerdere, maximaal 11,94 procent van de vrijstelling zelf.
Gebruikt:MKB-winstvrijstellingGrens tweede schijf box 1Beperking aftrektarief grondslagverminderende postenZelfstandigenaftrek en startersaftrek
Wet IB 2001 art. 3.79a (12,7 procent na ondernemersaftrek) en art. 2.10 lid 2 en 3 (11,94 procent over grondslagverminderende posten boven 78.426 euro), versie 21-02-2026
Belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Het belastbare inkomen uit werk en woning is de som van loon, belastbare winst uit onderneming (winst na ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling), belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen (pensioen, AOW, lijfrente) en de belastbare inkomsten uit eigen woning (eigenwoningforfait min de aftrekbare kosten; zonder of met een kleine eigenwoningschuld gaat er in 2026 nog 71,867 procent van het verschil af), min de persoonsgebonden aftrek. Huurinkomsten uit een woning die geen eigen woning is, vallen bij een particulier niet in box 1: die woning telt in box 3 mee als overige bezitting. Alleen bij een onderneming of overige werkzaamheden (bijvoorbeeld een gîte met hotelmatige diensten) zijn de opbrengsten winst of resultaat in box 1.
Gebruikt:Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuldEigenwoningforfaitMKB-winstvrijstellingZelfstandigenaftrek en startersaftrek
Wet IB 2001 art. 2.3, 3.1, 3.2 (belastbare winst), 3.79a, 3.111, 3.112 lid 1 (eigenwoningforfait 0,35 procent tussen 75.000 en 1.350.000 euro), 3.123a lid 2 (aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld 71,867 procent), 5.3 (overige bezittingen in box 3), versie 21-02-2026
Premie volksverzekeringen (AOW, Anw, Wlz)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De premie volksverzekeringen is 27,65 procent (AOW 17,90, Anw 0,10, Wlz 9,65) van het premie-inkomen tot de grens van de eerste schijf (2026: 38.883 euro; voor wie vóór 1 januari 1946 is geboren 41.123 euro). Het premie-inkomen is het belastbare inkomen uit werk en woning. De AOW-premie is niet meer verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin iemand de AOW-leeftijd bereikt; daarna blijft 9,75 procent over. In het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt, telt de AOW-premie dus alleen over de maanden daarvoor. Wie niet in Nederland woont en hier niet werkt, is niet verzekerd en betaalt geen premie volksverzekeringen.
Gebruikt:Premiepercentages volksverzekeringenGrens eerste schijf box 1Maximumbijdrage-inkomen Wlz, geboortejaar 1945 of eerderTarief box 1 voor wie vóór 1946 is geboren
Wet financiering sociale verzekeringen art. 8 lid 1 en 3 (premie-inkomen, maximum eerste schijf, 41.123 voor geboren vóór 1946), art. 9, art. 10 lid 2 (geen AOW-premie vanaf de maand van de AOW-leeftijd), art. 11 (versie 01-01-2026); Regeling SZW Stcrt. 2025, 42324 art. I en II (AOW 17,90 procent, Anw 0,10 procent); Algemene Ouderdomswet art. 6 lid 1 (verzekerd: ingezetene of in Nederland werkend)
Belasting en premie over box 1 (gecombineerd tarief)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De belasting over het inkomen uit werk en woning is in 2026 8,10 procent tot 38.883 euro, 37,56 procent tot 78.426 euro en 49,50 procent daarboven. Daarbij komt de premie volksverzekeringen over de eerste schijf, zodat het gecombineerde tarief van de eerste schijf 35,75 procent is onder de AOW-leeftijd en 17,85 procent vanaf de AOW-leeftijd. Voor wie vóór 1 januari 1946 is geboren loopt de eerste schijf tot 41.123 euro (8,10 procent belasting plus 9,75 procent premie). Van het totaal gaan daarna de heffingskortingen af.
Gebruikt:Tarieven box 1 onder de AOW-leeftijdTarieven box 1 boven de AOW-leeftijdGrens eerste schijf box 1Grens tweede schijf box 1Premiepercentages volksverzekeringenTarief box 1 voor wie vóór 1946 is geborenBeperking aftrektarief grondslagverminderende posten
Wet IB 2001 art. 2.10 lid 1 (tabel: 8,10 procent tot 38.883 euro, 3.149 euro plus 37,56 procent tot 78.426 euro, 18.001 euro plus 49,50 procent daarboven) en art. 2.10a (geboren vóór 1946: 8,10 procent tot 41.123 euro), versie 21-02-2026, Stb. 2025, 444 en Stcrt. 2025, 40487; premies zie r.nl.ib.premie_volksverzekeringen
Belasting box 3 (sparen en beleggen)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De rendementsgrondslag is de waarde van alle bezittingen min de schulden op 1 januari: banktegoeden, beleggingen en overige bezittingen, waaronder een tweede woning, een vakantiewoning of verhuurd vastgoed (de eigen woning valt in box 1). Schulden tellen alleen mee voor zover ze samen meer zijn dan 3.800 euro, voor partners samen 7.600 euro. Het rendement is in 2026 voorlopig 1,28 procent over de banktegoeden plus 6 procent over de overige bezittingen min 2,70 procent over de schulden; is het rendement negatief, dan is het nihil. Het voordeel is het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag, maal het deel van de grondslag boven het heffingsvrije vermogen (59.357 euro per persoon, voor partners samen 118.714 euro). De belasting is 36 procent van het voordeel. Het percentage voor banktegoeden en schulden wordt na afloop van het jaar definitief vastgesteld.
Gebruikt:Heffingsvrij vermogen box 3, alleenstaandHeffingsvrij vermogen box 3, partnersForfaitair rendement box 3, overige bezittingen (beleggingen en onroerend goed)Tarief box 3
Wet IB 2001 art. 2.13 (36 procent), art. 5.2 lid 1, 2 en 5 (effectief rendementspercentage, negatief rendement nihil, peildatum, partners samen), art. 5.3 lid 1 tot en met 3 (rendementsgrondslag; schulden boven 3.800 euro, partners samen 7.600 euro), art. 5.5 (heffingsvrij 59.357 euro), art. 9.5a en 10.6ter lid 2 en 4 (voorlopige en definitieve percentages banktegoeden en schulden bij ministeriële regeling), versie 21-02-2026
Verzamelinkomen
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Het verzamelinkomen is het inkomen uit werk en woning plus het inkomen uit aanmerkelijk belang plus het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (het voordeel van box 3, niet de belasting). Het verzamelinkomen is de maatstaf voor de afbouw van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting en, als toetsingsinkomen, voor de zorgtoeslag. Fiscale partners mogen het gezamenlijke box 3-voordeel naar keuze over beiden verdelen.
Wet IB 2001 art. 2.17 (verdeling tussen partners) en art. 2.18 (verzamelinkomen), versie 21-02-2026
Algemene heffingskorting
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De algemene heffingskorting is in 2026 3.115 euro, verminderd met 6,398 procent van het verzamelinkomen boven 29.736 euro, niet onder nul. De korting wordt verdeeld over belasting en premies naar verhouding van de tarieven van de eerste schijf (8,10 tegenover 17,90, 0,10 en 9,65 procent). Wie niet premieplichtig is voor de AOW, zoals wie het hele jaar de AOW-leeftijd heeft, mist het AOW-deel: 1.556 euro, afgebouwd met 3,195 procent van het verzamelinkomen boven 29.736 euro.
Gebruikt:Algemene heffingskorting, maximumStartpunt afbouw algemene heffingskortingAfbouwfactor algemene heffingskortingAlgemene heffingskorting vanaf de AOW-leeftijd
Wet IB 2001 art. 8.1, 8.2, 8.3 tot en met 8.6 (verdeling over belasting en premies) en 8.10 lid 2 (3.115 euro, 6,398 procent boven 29.736 euro), versie 21-02-2026; Wfsv art. 12 lid 1 (premiedeel alleen bij premieplicht); Belastingdienst, Tabel algemene heffingskorting 2026 (AOW-leeftijd het hele jaar: 1.556 euro, 3,195 procent)
Arbeidskorting
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De arbeidskorting hangt af van het arbeidsinkomen: loon, winst uit onderneming (vóór ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling) en resultaat uit werkzaamheden, niet pensioen, AOW, lijfrente of huur van een particuliere woning. In 2026: 8,324 procent tot 11.965 euro (maximaal 996), daarboven 31,009 procent tot 5.300 euro bij 25.845 euro, daarboven 1,950 procent tot het maximum van 5.685 euro bij 45.592 euro, en daarboven afbouw met 6,51 procent tot nul bij 132.921 euro. Wie het hele jaar de AOW-leeftijd heeft, krijgt ongeveer de helft (het AOW-deel valt weg): maximaal 2.840 euro, met afbouw van 3,250 procent.
Gebruikt:Arbeidskorting onder de AOW-leeftijd, trajectenArbeidskorting vanaf de AOW-leeftijd, trajectenArbeidskorting, maximumStartpunt afbouw arbeidskortingAfbouwfactor arbeidskorting
Wet IB 2001 art. 8.1 lid 1 onder e (arbeidsinkomen) en art. 8.11 lid 2 (8,324, 31,009, 1,950 en 6,51 procent; 996, 5.300 en 5.685 euro; grenzen 11.965, 25.845 en 45.592 euro), versie 21-02-2026; Belastingdienst, Tabel arbeidskorting 2026 (AOW-leeftijd het hele jaar: maximum 2.840 euro, afbouw 3,250 procent)
Ouderenkorting
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De ouderenkorting geldt voor wie aan het einde van het kalenderjaar de AOW-leeftijd heeft bereikt. In 2026 is ze 2.067 euro, verminderd met 15 procent van het verzamelinkomen boven 46.002 euro, niet onder nul (nul vanaf 59.782 euro). Het AOW-deel wordt bij de ouderenkorting niet afgetrokken: het bedrag wordt verdeeld over belasting en Anw- en Wlz-premie, zodat de AOW-gerechtigde het volledige bedrag houdt.
Gebruikt:Ouderenkorting
Wet IB 2001 art. 8.17 lid 1 (AOW-leeftijd bij het einde van het kalenderjaar) en lid 2 (2.067 euro, 15 procent boven 46.002 euro) en art. 8.7 (geen AOW-deel bij de ouderenkorting), versie 21-02-2026
Alleenstaande ouderenkorting
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
De alleenstaande ouderenkorting is in 2026 540 euro, zonder afbouw. Ze geldt voor wie in het kalenderjaar recht heeft op een AOW-uitkering voor een ongehuwde (alleenstaande), of daar recht op zou hebben als hij verzekerd was geweest.
Gebruikt:Alleenstaande ouderenkorting
Wet IB 2001 art. 8.18 (540 euro; recht op AOW als bedoeld in art. 9 lid 1 onder a AOW) en art. 8.7, versie 21-02-2026
Verrekening van de heffingskortingen
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Alle heffingskortingen samen gaan af van de gecombineerde inkomensheffing: de belasting over box 1, box 2 en box 3 samen plus de premie volksverzekeringen. Kan het premiedeel niet volledig met de premie worden verrekend, dan gaat de rest van de belasting af, en andersom. Het resultaat komt niet onder nul; een niet te verrekenen deel vervalt. Uitzondering: wie vóór 1 januari 1963 is geboren en meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, krijgt de algemene heffingskorting die hij zelf niet kan verrekenen uitbetaald, tot het bedrag dat de partner na zijn eigen heffingskortingen aan belasting en premie betaalt.
Wet IB 2001 art. 2.7 lid 1 en 3 (verrekening met box 1, 2 en 3 samen en met de premie), art. 8.1 lid 1 onder b (gecombineerde inkomensheffing), art. 8.8 (maximum) en art. 8.9 (minstverdienende partner geboren vóór 1963), versie 21-02-2026; Wfsv art. 9
Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Over loon betaalt de werkgever de werkgeversheffing (2026: 6,10 procent). Wie zelf de bijdrage betaalt, betaalt in 2026 4,85 procent over het bijdrage-inkomen: belastbare winst uit onderneming (na ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling), resultaat uit overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en loon waarover geen werkgeversheffing is betaald, zoals pensioen en AOW. Het bijdrage-inkomen telt tot maximaal 79.409 euro per persoon; bij een aanslag gaat het loon waarover al werkgeversheffing is betaald van dat maximum af. Huur van een particuliere woning in box 3 en het eigenwoningforfait zijn geen bijdrage-inkomen.
Gebruikt:Zvw inkomensafhankelijke bijdrage, lage percentageMaximumbijdrage-inkomen Zvw
Zorgverzekeringswet art. 41, 42, 43 lid 2, 3 en 5 (maximum verminderd met loon waarover werkgeversheffing is betaald) en art. 45 (versie 01-01-2026); Regeling zorgverzekering art. 5.2 en 5.4 zoals gewijzigd bij Stcrt. 2025, 38055 (79.409 euro, 6,10 en 4,85 procent)
Netto zorgkosten in Nederland (nominale premie min zorgtoeslag)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Iedere verzekerde van 18 jaar en ouder betaalt nominale premie aan de zorgverzekeraar; voor kinderen tot 18 jaar is geen premie verschuldigd. De gemiddelde nominale premie in 2026 is 1.879 euro per jaar; de premie van een afzonderlijke polis kan afwijken. De zorgtoeslag gaat van die kosten af. Daarnaast heeft iedere verzekerde van 18 jaar en ouder een verplicht eigen risico van 385 euro per kalenderjaar, dat pas meetelt bij zorggebruik.
Gebruikt:Gemiddelde nominale premie zorgverzekering 2026
Zorgverzekeringswet art. 16 lid 1 en 2 onder a (geen premie tot 18 jaar), art. 17 (premie per polis) en art. 19 lid 1 (eigen risico 385 euro), versie 01-01-2026; gemiddelde nominale premie 2026: Ontwerpbegroting 2027 VWS, par. 6.4, tabel 77 (bron NZa), via Peil p.nl.zorg.nominale_premie_gemiddeld
Nederlandse belasting op Nederlands inkomen van een inwoner van Frankrijk
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Wie in Frankrijk woont en niet in Nederland werkt, is niet verzekerd voor de volksverzekeringen en betaalt over in Nederland belast inkomen alleen het belastingdeel van het tarief: in 2026 8,10 procent tot 38.883 euro, 37,56 procent tot 78.426 euro en 49,50 procent daarboven. Heffingskortingen (zonder arbeid) krijgt alleen de kwalificerende buitenlandse belastingplichtige: wie als inwoner van de EU ten minste 90 procent van zijn wereldinkomen (of met de partner samen) in Nederland belast ziet. Die krijgt het belastingdeel van de heffingskortingen (bij de AOW-leeftijd 8,10/17,85 van de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de alleenstaande ouderenkorting). Voor de afbouw van die kortingen telt het inkomen berekend alsof hij in Nederland woonde, dus het wereldinkomen, niet alleen het in Nederland belaste deel.
Gebruikt:Tarieven box 1 boven de AOW-leeftijdPremiepercentages volksverzekeringenGrens eerste schijf box 1Grens tweede schijf box 1
Wet IB 2001 art. 2.7 lid 1 (heffingskorting voor de inkomstenbelasting alleen voor binnenlandse en kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen; anders alleen arbeidskorting), art. 2.10 lid 1 (8,10 procent), art. 7.8 lid 5, 6 en 7 (afbouw over het inkomen volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen; 90 procent-toets), art. 8.3 en 8.7 (belastingdeel), versie 21-02-2026; Algemene Ouderdomswet art. 6 lid 1 (niet verzekerd zonder woonplaats of werk in Nederland)
CSG, CRDS en CASA op pensioen
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Over het bruto pensioen van iemand die fiscaal in Frankrijk woont en ten laste is van een verplichte Franse ziektekostenverzekering, gaan CSG, CRDS en CASA af tegen het tarief van het CSG-regime: 0 procent, 4,3 procent (CSG 3,8 en CRDS 0,5), 7,4 procent (CSG 6,6, CRDS 0,5 en CASA 0,3) of 9,1 procent (CSG 8,3, CRDS 0,5 en CASA 0,3). Dat geldt ook voor buitenlandse pensioenen die Frankrijk mag belasten, zoals AOW, een particulier pensioen en een lijfrente. Een Nederlands overheidspensioen dat het verdrag aan Nederland toewijst, blijft erbuiten. Wie via het CAK (S1) in Nederland verzekerd is, betaalt op pensioen geen CSG, CRDS en CASA.
Gebruikt:CSG, CRDS en CASA per regime op pensioenSociale lasten op pensioen van een Franse sociaal verzekerde (CSG, CRDS, CASA)
Art. L136-8 II 2° CSS (8,3 procent op pensioenen), III en III bis (3,8 en 6,6 procent), LEGIARTI000054336623, in vigueur sinds 27-06-2026; art. L136-1 1° (LEGIARTI000033712581) en L136-1-2 (LEGIARTI000051289679); DILA LEGI. Verdragsdekking van de CSG: BOFiP BOI-INT-DG-20-20-100 §110 (CSG en CRDS gelijkgesteld met inkomstenbelasting voor de verdragen); gelezen 26-10-2026. CRDS en CASA: Peil p.fr.csg.tarief_per_regime (ordonnance 96-50 art. 14 en art. L14-10-4 CASF niet zelf gelezen).
Aftrekbaar deel van de CSG voor de inkomstenbelasting
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Van de CSG op loon en op pensioen mag een deel van het bruto bedrag af waarover zij is betaald. Bij loon en ander arbeidsinkomen is dat 6,8 procentpunt van de 9,2 procent. Bij pensioen hangt het af van het tarief: bij 3,8 procent is alles aftrekbaar, bij 6,6 procent 4,2 procentpunt en bij 8,3 procent 5,9 procentpunt. De CRDS (0,5 procent), de CASA (0,3 procent) en de rest van de CSG zijn niet aftrekbaar. De CSG op vermogensinkomen dat onder het barema valt, is voor 6,8 procentpunt aftrekbaar in het jaar van betaling; onder de PFU is er geen aftrek.
Gebruikt:CSG, CRDS en CASA per regime op pensioenAftrekbaar deel van de CSG op arbeidsinkomenCSG-tarief op arbeidsinkomen
Art. 154 quinquies I en II CGI (LEGIARTI000047288608, in vigueur sinds 11-03-2023, DILA LEGI: 6,8 punten; pensioenen 3,8, 4,2 en 5,9 punten bij 3,8, 6,6 en 8,3 procent; aftrek van het bruto); art. L136-8 I 1° CSS (9,2 procent op arbeidsinkomen, LEGIARTI000054336623); BOFiP BOI-RSA-PENS-30-10-10 §70; gelezen 26-10-2026
Aftrek van 10 procent op pensioenen
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Pensioenen en rentes à titre gratuit krijgen een aftrek van 10 procent. De aftrek wordt berekend over het pensioen nadat de verplichte sociale bijdragen van de gepensioneerde en het aftrekbare deel van de CSG eraf zijn gegaan. Per gepensioneerde is de aftrek minstens 454 euro, maar nooit meer dan diens pensioen. Voor het hele huishouden samen is de aftrek hoogstens 4.439 euro (inkomsten 2025): dat plafond geldt voor de som van de per persoon berekende aftrekken.
Gebruikt:Abattement 10 % op pensioen: minimum en maximum (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)CSG, CRDS en CASA per regime op pensioenNominale Zvw-bijdrage verdragsgerechtigden vóór woonlandfactor
Art. 158 5 a tweede en derde alinea CGI (LEGIARTI000054373673, in vigueur sinds 01-07-2026: 10 procent, plafond 4.439 euro per foyer, minimum 454 euro per gepensioneerde, DILA LEGI); BOFiP BOI-RSA-PENS-30-10-10 (versie 31-05-2017) §65 (verplichte ziektekostenbijdragen aftrekbaar), §70 (CSG-deel van het bruto af, vóór de 10 procent), §150 (abattement over het pensioen na verplichte bijdragen), §160 tot §180 (minimum per persoon, plafond per foyer, voorbeeld); gelezen 26-10-2026
Forfaitaire aftrek van 10 procent op loon
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle zo snel mogelijk
De forfaitaire aftrek voor beroepskosten is 10 procent van het brutoloon nadat de verplichte bijdragen en het aftrekbare deel van de CSG eraf zijn gegaan. Per lid van het huishouden is de aftrek minstens 509 euro (nooit meer dan diens loon) en hoogstens 14.555 euro (lonen 2025). Wie hogere werkelijke kosten heeft, mag die in plaats van het forfait aftrekken.
Gebruikt:Forfaitaire aftrek 10 % op loon: minimum en maximum (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)Aftrekbaar deel van de CSG op arbeidsinkomen
Art. 83 3° tweede en derde alinea CGI (LEGIARTI000054373766, in vigueur sinds 01-07-2026: 10 procent van het bruto na aftrek van de bijdragen van 1° tot en met 2° ter, maximaal 14.555 euro voor lonen 2025, minimaal 509 euro per lid van het foyer, DILA LEGI); BOFiP BOI-RSA-BASE-30-50-20 (versie 01-03-2019) §40 (grondslag: bruto min bijdragen en art. 154 quinquies I) en §210 (plafond per lid); gelezen 26-10-2026
Aftrek voor 65-plussers
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
Wie op 31 december van het inkomstenjaar ouder is dan 65 (of invalide volgens art. 195), mag van het revenu global net een vast bedrag aftrekken: 2.822 euro als dat inkomen niet hoger is dan 17.670 euro en 1.411 euro als het tussen 17.670 en 28.430 euro ligt (inkomsten 2025). Bij een gezamenlijke aanslag wordt het bedrag verdubbeld als beide partners aan de voorwaarde voldoen; de inkomensgrenzen verdubbelen niet.
Gebruikt:Abattement voor 65-plussers en invaliden (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)
Art. 157 bis CGI (LEGIARTI000054373677, in vigueur sinds 01-07-2026, DILA LEGI): 'âgé de plus de soixante-cinq ans au 31 décembre de l'année d'imposition', 2.822 euro als het revenu global net niet hoger is dan 17.670 euro en 1.411 euro tussen 17.670 en 28.430 euro, verdubbeld als beide echtgenoten aan de voorwaarde voldoen; gelezen 26-10-2026. De vorige versie LEGIARTI000051765211 (bedragen 2.796 en 1.398 euro) is per 01-07-2026 gewijzigd.
Franse basispensioen (régime général)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle zo snel mogelijk
Het basispensioen is het gemiddelde jaarloon van de beste jaren (salaire annuel moyen, per jaar begrensd op het plafond van de sociale zekerheid) maal het tarief, maal de Franse verzekeringsduur gedeeld door de vereiste duur (hoogstens 1). Het volle tarief is 50 procent als de vereiste duur in de Franse verplichte basisstelsels samen is gehaald (167 tot 172 trimestres, afhankelijk van het geboortejaar). Anders gaat er per trimester korting 1,25 procent van het volle tarief af (0,625 procentpunt). Het aantal trimestres korting is het kleinste van twee getallen: de trimestres die tot de vereiste duur ontbreken, en de trimestres tussen de ingangsdatum en de leeftijd waarop het volle tarief automatisch geldt (64 plus 3 jaar, dus 67 jaar); een gedeeltelijk trimester telt als heel trimester. Vanaf die leeftijd is er geen korting. Wie ook in Nederland verzekerd is geweest, krijgt het hoogste van twee bedragen (art. 52 lid 1 en 3 Verordening 883/2004): het autonome Franse pensioen, waarin alleen Franse tijdvakken tellen, en het pro-ratapensioen: het theoretische bedrag alsof alle Nederlandse tijdvakken Frans waren (tarief en duurbreuk met alle tijdvakken samen, duurbreuk hoogstens 1), maal de Franse tijdvakken gedeeld door alle tijdvakken samen.
Gebruikt:Pensioentarief basispensioen Frankrijk (taux de liquidation)Vereiste pensioenjaren FrankrijkDécote basispensioen Frankrijk, per ontbrekend trimester
Art. L351-1 CSS (LEGIARTI000023035688); art. R351-27 CSS (LEGIARTI000054589995, in vigueur sinds 01-08-2026: 50 procent, 1,25 procent per trimester, 'le nombre de trimestres correspondant est éventuellement arrondi au chiffre immédiatement supérieur. Le plus petit de ces deux nombres est pris en considération'); art. R351-29 CSS (LEGIARTI000053335651); art. L161-17-3 CSS (LEGIARTI000053280903, LFSS 2026: 167 tot 172 trimestres); art. L351-8 1° CSS (LEGIARTI000051289852: 'l'âge prévu au premier alinéa de l'article L. 161-17-2 augmenté de trois années') met art. L161-17-2 eerste alinea (LEGIARTI000053280889: 'soixante-quatre ans'); DILA LEGI, gelezen 26-10-2026. Verordening (EG) nr. 883/2004 art. 6 en art. 52 lid 1 onder a en b en lid 3, geconsolideerde tekst 31-07-2019, gelezen 26-10-2026.
Belastbaar resultaat in het micro-regime (onderneming en gemeubileerde verhuur)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
In het micro-regime is het belastbaar resultaat de omzet zonder btw min een vaste aftrek: 71 procent voor verkoop van goederen en het verstrekken van logies (behalve gemeubileerde woningverhuur), 50 procent voor diensten en voor gemeubileerde verhuur, ook van geclassificeerde meublés de tourisme en chambres d'hôtes, 30 procent voor niet-geclassificeerde meublés de tourisme, en 34 procent voor een vrij beroep (micro-BNC). De aftrek is minstens 305 euro en nooit meer dan de omzet. Werkelijke kosten tellen niet. Het micro-regime geldt zolang de omzet van het vorige of het voorvorige jaar het plafond niet overschrijdt (inkomsten 2026: 83.600 euro voor diensten, vrij beroep en gemeubileerde verhuur, 203.100 euro voor verkoop, 15.000 euro voor niet-geclassificeerde meublés de tourisme).
Gebruikt:Abattement micro-BIC gemeubileerde verhuur (inkomsten 2025 en 2026)Micro-BIC verhuur: plafond en abattement per typeAbattement micro-BIC diensten en micro-BNC (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)
Art. 50-0 1 CGI (LEGIARTI000054373853, in vigueur sinds 01-07-2026: plafonds 203.100, 15.000 en 83.600 euro over het vorige of voorvorige jaar; abattement 71, 50 en 30 procent, 'Ces abattements ne peuvent être inférieurs à 305 €'); art. 102 ter 1 CGI (LEGIARTI000054373747, in vigueur sinds 01-07-2026: plafond 83.600 euro, 34 procent, minimum 305 euro); DILA LEGI, gelezen 26-10-2026.
Geeft het resultaat dat in het belastbaar inkomen komt en, bij LMNP, de grondslag voor de prélèvements sociaux.
Sociale bijdragen van een micro-ondernemer
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
Een micro-ondernemer betaalt zijn sociale bijdragen als één percentage van de werkelijke omzet: 12,3 procent bij verkoop van goederen en logies, 21,2 procent bij diensten en bij gemeubileerde woningverhuur, 6 procent bij verhuur van meublés de tourisme, 25,6 procent bij een niet-gereglementeerd vrij beroep en 23,2 procent bij een vrij beroep dat onder de Cipav valt (tarieven per 1 januari 2026). Werkelijke kosten en het abattement spelen hier geen rol.
Gebruikt:Sociale bijdragen micro-entrepreneur diensten (% van de omzet)Sociale bijdragen micro-entrepreneur gemeubileerde verhuur (% van de omzet)
Art. L613-7 I CSS (LEGIARTI000048683570: één tarief over de omzet); art. D613-4 I CSS (LEGIARTI000052218738, in vigueur sinds 01-01-2026: 12,3, 23,2, 6, 21,2 en 25,6 procent per categorie); DILA LEGI, gelezen 26-10-2026; entreprendre.service-public.gouv.fr F36232 (vérifié le 01-01-2026), zelfde tarieven, geen onderscheid tussen geclassificeerde en niet-geclassificeerde meublés de tourisme
Prélèvements sociaux op gemeubileerde verhuur door een particulier (LMNP)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Een particuliere verhuurder van een gemeubileerde woning die niet bij de Urssaf is aangesloten, betaalt geen sociale bijdragen maar prélèvements sociaux over het belastbare resultaat (in het micro-regime: de omzet min het abattement): CSG 10,6 procent, CRDS 0,5 procent en prélèvement de solidarité 7,5 procent, samen 18,6 procent. Wie in een andere EU- of EER-staat of Zwitserland verzekerd is en niet ten laste van een Frans stelsel komt (bijvoorbeeld met een S1 via het CAK), betaalt geen CSG en CRDS en alleen de 7,5 procent.
Gebruikt:Prélèvements sociaux op gemeubileerde verhuur door een particuliere verhuurder (LMNP, niet bij de Urssaf aangesloten)Prélèvement de solidarité bij De RuyterUrssaf-drempel kortetermijnverhuur gemeubeld (location meublée de courte durée)
Art. L136-6 I en I ter CSS (LEGIARTI000051218166, in vigueur sinds 16-02-2025: vrijstelling van CSG voor wie onder Verordening 883/2004 in een ander stelsel verzekerd is en niet ten laste van een Frans stelsel); art. L136-8 I 2° CSS (10,6 procent, LEGIARTI000054336623); DILA LEGI, gelezen 26-10-2026. Grondslag en tarief 18,6 procent: Peil p.fr.ps.taux_lmnp (Brochure pratique IR 2026, p. 45, 62 en 174).
PFU en prélèvements sociaux op rente en dividend
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 dec 2026
Rente en dividend van een inwoner van Frankrijk worden in beginsel belast met de prélèvement forfaitaire unique: 12,8 procent inkomstenbelasting over het bruto bedrag, plus prélèvements sociaux van 18,6 procent (CSG 10,6, CRDS 0,5 en prélèvement de solidarité 7,5 procent), samen 31,4 procent. Wie in een andere EU- of EER-staat verzekerd is en niet ten laste van een Frans stelsel komt (bijvoorbeeld met een S1 via het CAK), betaalt geen CSG en CRDS, alleen de 7,5 procent. Een buitenlandse bronheffing wordt volgens het verdrag verrekend. Wie voor het barema kiest (option globale), valt buiten deze regel.
Gebruikt:PFU, inkomstenbelastingdeelPrélèvements sociaux op roerend vermogensinkomen (behalve assurance-vie en épargne logement)Prélèvement de solidarité bij De Ruyter
Art. 200 A 1 A 1° en B 1° CGI (LEGIARTI000053546896, in vigueur sinds 21-02-2026: 12,8 procent over het bruto bedrag, buitenlandse bronheffing verrekend volgens het verdrag); art. L136-6 I ter CSS (LEGIARTI000051218166); art. L136-8 I 2° CSS (10,6 procent); art. 1417 IV 1° CGI (RFR); DILA LEGI, gelezen 26-10-2026. Prélèvement de solidarité 7,5 procent: Peil p.xb.deruyter.prelevement_solidarite (art. 235 ter CGI, niet zelf gelezen).
Belastingkrediet voor hulp aan huis
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
Wie een hulp aan huis betaalt, krijgt een belastingkrediet van 50 procent van de uitgaven, binnen een plafond van 12.000 euro per huishouden, verhoogd met 1.500 euro per kind ten laste en per lid van het huishouden ouder dan 65 jaar, tot hoogstens 15.000 euro (in het eerste jaar met een direct werkgeverschap 15.000 tot 18.000 euro; bij invaliditeit 20.000 euro). Het krediet wordt na de décote en de belastingverminderingen verrekend; wat de belasting overstijgt, wordt terugbetaald.
Gebruikt:Crédit d'impôt hulp aan huis, percentageCrédit d'impôt hulp aan huis, plafond (inkomstenjaar 2025, aangifte 2026)
Art. 199 sexdecies 3 en 4 CGI (LEGIARTI000054251333, in vigueur sinds 14-06-2026, DILA LEGI); BOFiP BOI-IR-RICI-150-20 (versie 12-08-2026) §100 tot §145 (plafond en verhogingen per foyer, maximum 15.000), §150 (50 procent), §160 (verrekening en terugbetaling); gelezen 26-10-2026
Vermogensbelasting op vastgoed (IFI)
gecontroleerd
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle 15 apr 2027
IFI is verschuldigd als het netto belastbare vastgoedvermogen op 1 januari hoger is dan 1.300.000 euro. Op de hoofdwoning gaat eerst 30 procent af van de waarde (één woning per huishouden). Het tarief is progressief: 0 procent tot 800.000 euro, 0,5 procent tot 1.300.000, 0,7 procent tot 2.570.000, 1 procent tot 5.000.000, 1,25 procent tot 10.000.000 en 1,5 procent daarboven. Bij een vermogen vanaf 1.300.000 en onder 1.400.000 euro gaat er een décote af van 17.500 euro min 1,25 procent van het vermogen.
Gebruikt:IFI-drempelIFI-schijven en tarievenIFI, décote voor een vastgoedvermogen tussen 1,3 en 1,4 miljoen euroIFI, abattement van 30 procent op de hoofdwoning
BOFiP BOI-PAT-IFI-40-10 (versie 08-06-2018) §1 (drempel, art. 964), §10 (barema, art. 977), §20 (décote, art. 977 2, met voorbeeld); BOFiP BOI-PAT-IFI-20-30-20 (versie 05-06-2024) §57 tot §70 (30 procent op de hoofdwoning, art. 973 I, één woning bij gezamenlijke aanslag); gelezen 26-10-2026
Werknemersbijdragen op Frans loon
nog in controle
Laatst gecontroleerd 26 okt 2026 · volgende controle zo snel mogelijk
Op Frans loon worden werknemersbijdragen ingehouden voor onder meer ouderdomspensioen (basis en aanvullend), werkloosheid voor zover van toepassing, en CSG en CRDS. Het totaal hangt af van het loon ten opzichte van het plafond van de sociale zekerheid en van de cao. Van de CSG (9,2 procent over 98,25 procent van het loon) is 6,8 procentpunt aftrekbaar voor de inkomstenbelasting; de rest van de CSG en de CRDS niet.
dat is een benadering en geen wettelijk bedrag. De werkelijke opbouw per bijdrage en de grondslag van de CSG worden nog nagelopen.
Art. L136-8 I 1° CSS (9,2 procent, gelezen); art. 154 quinquies I CGI (6,8 punten, gelezen); de overige bijdragen en de grondslag van 98,25 procent niet gelezen